Van Rodin tot Bourgeois

 

Sculptuur in de 20e eeuw

 

 

Gemeentemuseum Den Haag, 2016-2017

 

 

 

 

 

 

Ruimtelijkheid

 

De museumintroductie aan het begin van de tentoonstelling stelt dat er in de beeldhouwkunst grofweg drie essentiële perioden te onderscheiden zijn: de klassieke oudheid, de renaissance en de 20e eeuw. Over die laatste periode uit de westerse kunstgeschiedenis gaat de tentoonstelling.

 

Eind 19e eeuw verkeerde de beeldhouwkunst in een impasse, verhaalt het Gemeentemuseum. Waar de schilderkunst volop in ontwikkeling was en het impressionisme zegevierde, werd de beeldhouwkunst gedomineerd door het academisme. Daarin stond navolging van de klassieke oudheid, het neoclassicisme, centraal. Er werd slechts gewerkt in brons en marmer en de enige onderwerpen waren mens- en dierfiguren.

 

 

 

 

Links een spotprent van Honoré Daumier uit 1857. Hij geeft ‘de Salon’ weer, een jaarlijkse grote kunsttentoonstelling in Parijs.

 

De tekening toont een gefrustreerd beeldhouwwerk: niemand kijkt naar haar, alle aandacht gaat naar wat er aan de wand hangt. De ondertiteling: Trieste gesteldheid van de beeldhouwkunst temidden van de schilderkunst.

 

 

 

De kunstcriticus Charles Baudelaire schreef in 1846 een stuk met de titel ‘Waarom sculptuur saai is’. De zwakte lag aan de ruimtelijkheid stelde de Fransman, want de beeldhouwer had geen volledige controle over het gezichtspunt van de kijker. Dat idee is tegen het einde van de 19e eeuw langzaam gekanteld. De beeldhouwkunst maakte zich los van haar monumentale en decoratieve functie. De ruimtelijkheid werd uiteindelijk de kracht van de beeldhouwkunst.

 

 

 

 

                                                                                             La défence door Auguste Rodin, 1879

 

Het begin van verandering

 

Het begon in Frankrijk bij Rodin. Hij vond het belangrijk dat de toeschouwer om het beeld heen kon lopen, zijn beelden kregen een duidelijke voor- en achterkant. Rodin liet in zijn werk ook de hand van de maker en het maakproces zien met vingerafdrukken, onuitgewerkte onderdelen, onvolledige figuren en gietnaden. Het impressionisme was doorgedrongen in de beeldhouwkunst. Bovendien haalde hij het beeld van zijn voetstuk af, een sculptuur presenteren zonder sokkel was destijds revolutionair. De museuminfo: ‘Deze nieuwe aandacht voor het maakproces en het medium zelf, vormde de basis voor de ontwikkeling van de moderne sculptuur.’

 

 

 

 

Heracles de boogschutter door Antoine Bourdelle, 1909                        Jeannette door Henri Matisse, 1910

 

 

 

 

                                                        Tête du professeur Gosset door Raymond Duchamp-Villon, 1917-1918

 

Avant-garde

 

Vernieuwing in de kunst nam vanaf het begin van de 20e eeuw een grote vlucht. De veranderingen in de beeldhouwkunst kregen vooral een impuls door schilders -zoals Picasso, Derain, Kirchner, Filla en Baranov-Rossiné- die zich ook met plastiek bezig gingen houden. Zij waren niet belast met de remmende voorsprong van de beeldhouwer die na een lange opleiding de klassieke technieken in de vingers had. Er werd gehakt, geassembleerd en beschilderd in nieuwe stijlen.

 

Maar door de Eerste Wereldoorlog raakte de brede experimenteerdrift bekoeld, de figuratieve beeldhouwers Bourdelle en Maillol groeiden uit tot de toppers van hun tijd. Beeldhouwers als Arp, Gonzalez, Giacometti, Calder en Gabo echter, gingen verder op de ingeslagen weg. In het werk van de avant-garde werd de figuratie meer en meer gereduceerd en vervormd.

 

In de tweede helft van het Interbellum kwamen daar de Engelse beeldhouwers Hepworth en Moore bij. Zij waren begeesterd door de natuur en het landschap en gaven dat weer in hun werk. Als eerste bracht Hepworth openingen aan in haar beelden waarmee ruimte en vorm geïntergreerd werden. Geplaatst in het landschap werd de natuur onderdeel van het werk en andersom.

 

 

 

 

                                                                                                             Head I door William Turnbull, 1955

 

 

Modernisme

 

De overkoepelende term ‘Modernisme’ staat voor de avant-gardistische –ismen die kwamen en gingen in de eerste helft van de 20e eeuw zoals onder andere het fauvisme, futurisme, kubisme, primitivisme, dadaïsme, suprematisme en constructivisme. Wikipedia: ‘Modernisme is het totaal van vernieuwende stromingen in de kunsten en de westerse maatschappij die vanaf het eind van de 19e eeuw opkwamen als reactie op het estheticisme en realisme in de toenmalige kunst.’

 

Na de Tweede Wereldoorlog werd New York het brandpunt van vernieuwing in de kunst. De reductie in de voorstelling van de beelden die in de eerste helft van de eeuw was ingezet, werd tot in het extreme doorgevoerd. Het daaruit voortvloeiende minimalisme en conceptualisme vallen onder het postmodernisme.

 

Indeling

 

De tentoonstelling laat naast een aantal pre- en postmodernistische beelden, een groot aantal modernistische werken zien. Bij de presentatie op deze webpagina’s van getoonde werken op de expositie, is er voor gekozen een driedeling te maken bij de beelden uit de 20e eeuw, met de kanttekening dat de grenzen niet altijd scherp zijn. Ten eerste sculpturen die, hoe vernieuwend ook, vooral figuratief zijn; ten tweede onder de noemer ‘Avant-garde’ beelden waarbij verandering, reductie, vervorming, de boventoon voeren; en ten derde non-figuratieve werken onder de noemer ‘Abstract’.

 

 

 

      

 

                                La jalousie II door Jean Tinguley, 1961                                            Monument for V.Tatlin door Dan Flavin, 1975

  

 

 

 

       

 

                                                                                                Spider couple door Louise Bourgeois, 2003

 

 

 


 

Tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois, Sculptuur in de 20e eeuw’’, Gemeentemuseum Den Haag; najaar 2016

 

Foto’s: november 2016

 

 

 

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina Sculptuur 20e eeuw