De bomen van Buisman

 

 

Culturele buitenplaats Kranenburgh, Bergen

 

najaar 2015

 

 

 

 

 

Onorthodox

 

Sjoerd Buisman groeide op in Gorkum dat aan de rivier de Merwede ligt. Hij was vaak in de uiterwaarden te vinden en deed daar al proefjes met het verplaatsen van planten om te zien wat dat voor effect had. Vanaf zijn tiende of twaalfde wist hij zeker dat hij kunstenaar wilde worden vertelde Buisman, maar hij schijnt lang getwijfeld te hebben tussen biologie en kunst.

 

Hij schreef zich in aan de kunstacademie en volgde daar een schildersopleiding, maar vond daar niet wat hij zocht. Buisman: “Ik vond dat niks dat schilderen. Ik vond het een suggestie naar de derde dimensie terwijl het maar twee dimensionaal is. Ik was heel snel van dat schilderen af. Ik vond het spannender dingen in de ruimte te gaan maken. Al heel snel ging ik met plantjes werken en met aardappelen, dus heel onorthodox ging ik kunst maken, dat vond ik het spannendst. Mensen confronteren met dingen. Ik verkocht in het begin helemaal niet veel maar ik had wel aandacht.”

 

Natuurkunst

 

Nadat hij in 1965 de academie de rug had toegekeerd, experimenteerde hij verder met plantenmateriaal op Ateliers ‘63. Zijn eerste werken waren gemaakt van tuinkers, dat laat zich - wist Buisman uit zijn jeugd - gemakkelijk in welke vorm ook zaaien.

 

Hij keek onder andere hoe licht, zwaartekracht en insnoering invloed hebben op de groei door in te grijpen. Zet een wilg op zijn kop, wat gebeurt er dan? Leg een knoop in een jonge twijg, hoe gaat de groei verder? Hoe verloopt de groei in een donkere ruimte en in een ruimte met een laag geplaatste lamp? Hoe reageert een plant als de groeiende vrucht een strakke riem omkrijgt of als er in gekerfd wordt (de naam van de kunstenaar bijvoorbeeld)? De resultaten van de experimenten worden ‘groeisculpturen’ genoemd en de vervormende ingrepen zijn wel eens aangeduid als ‘vegetarische vivisectie’.

 

 

                                  

 

                                                                                                                                      De Telegraaf, 6 november 1969

 

Geen bloemen

 

Buisman werd gevraagd (Nieuwsblad van het Noorden, 26-2-1971) waarom hij niet met bloemen werkte om meer kleur in zijn werk te brengen. Buisman: “Daar is weinig mee aan te tonen. Ze leiden de aandacht teveel van het groeiproces af en ze zijn me ook niet sober genoeg. Ik zal bijvoorbeeld ook nooit twee verschillende gewassen of nog meer op één moltondeken laten groeien.” De verslaggever besluit met: Zijn persoonlijke voorkeur voor monochrome groei (en kleur) noemt Buisman het enige kunstenaars-aspect van deze bezigheden, “want verder kan iedereen het doen“.

 

 

 

 

 

 

 

 

“De takken van deze wilgestam (Salix ..) zijn gegroeid nadat de stam in horizontale positie werd gebracht.

Ze groeiden tegen de zwaarte-kracht in.

De oorspronkelijke stand van de stam is af te leiden uit de richting van de andere takken.

 

Kweekplaats: langs de Merwede bij Sleeswijk.”

 

 

  Horizontale wilg (Salix viminalis), Sleeswijk, 1972

 

 

 

 

                              Links: Pandanus veitchii, Philippijnen, 1982                         rechts: Reclining Madrona spiral, 1984

 

 

Phyllotaxis

 

Rond 1980 raakte Buisman gefascineerd door de architectonische structuur van bomen en planten. Hij maakte reizen naar Venezuela, Indonesië en de Philippijnen en raakte in de ban van de spiraalvorm in de natuur, vooral de schroefpalm (Pandanus veitchii) die hij zag op de Philippijnen, inspireerde hem. De botanische term phyllotaxis staat voor de groepering van bladeren rond een stam of stengel. Een spiraalvormige phyllotaxis is ook in de Nederlandse vegetatie te vinden, bijvoorbeeld bij de bleekselderij. De phyllotaxis, met name de spiraalvorm, werd een van zijn thema’s.

 

Buisman: “Mijn werk is geen biologieles. Ik wil krachten in de natuur visualiseren, maar dan als kunst. De verschijnselen die ik laat zien, zijn op zich bekend, al vervullen ze mij met een constante verbazing. Het gaat erom dat ze ook visueel en beeldend interessant zijn.”

 

 

 

 

                                 Senecio (gewei), 1993

 

 

Toegepaste natuur

 

Uit het NoordHollands Dagblad, 10-9-2015:

 

Buisman begon in brons te werken toen hij, in de jaren tachtig, naar zijn zin veel te conceptueel bezig was. “Werken vanuit een idee, en dan maar wachten tot er iets uitkwam. Ik dééd niks meer, had zin om lekker dingen te maken. Heerlijk, maar toch spring ik ook regelmatig terug naar het uitgangspunt.”

 

(Buisman in 1971 in het Nieuwsblad van het Noorden: “Als je zo’n idee krijgt [voor een groeisculptuur] en je krijgt het in de winter dan moet je tot het voorjaar wachten om het te kunnen realiseren en dan wordt het weer najaar voordat je de resultaten ziet.”)

 

Een geëngageerde kunstenaar is Buisman niet. Hij wil geen vingertje opsteken over natuurbehoud of milieu. “Daar heb ik me altijd verre van gehouden. Persoonlijk heb ik veel respect voor de natuur, maar mijn kunst gaat over kunst. Het is een manier om de verstopte kwaliteiten in planten een vorm te geven. Natuur is een middel, zoals een schilder zijn verf heeft.”

 

In de Telegraaf van 31 augustus 1990 verwoordde Buisman het als volgt: “Arte povera haalde de natuur in de kunst binnen, en ik nam dat heel letterlijk. Ik wil de natuur niet afbeelden, maar gebruik haar juist als beeldend materiaal.”

 

 

 

                                                                                                                                                 Fractaal werk,  2013

 

 

 


 

Tentoonstelling ‘De bomen van Buisman’, Culturele Buitenplaats Kranenburgh te Bergen, najaar 2015

 

Foto’s: september 2015

 

 

 

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina ‘De bomen van Buisman’