Jean Dubuffet

 

     Rijksmuseum Amsterdam 2017

 

 

 

 

 

 

 

Groene buitenzaal

 

Met de grote renovatie van het Rijksmuseum (2003 – 2013) is ook de tuin rondom heringericht. Onder het motto 'verder met Cuypers' was het oorspronkelijke ontwerp van architect Pierre Cuypers uit 1884 / 1901 daarbij de leidraad. Het museum noemt het resultaat de ‘groene buitenzaal’.

 

 

 

           

 

                      

 

 

Vijf jaar

 

De herinrichting van de tuinen wordt gevierd met vijf zomertentoonstellingen in evenzoveel jaren. De eerste internationale beeldententoonstelling in 2013 was gewijd aan de Engelse beeldhouwer Henry Moore (1898-1986), de tweede een jaar later aan de Amerikaan Alexander Calder (1898-1976) en in 2015 aan de Spanjaard Joan Miró (1893-1983). De drie hebben gemeenschappelijk dat ze (nog net) in de 19e eeuw geboren zijn en dat uitsluitend naoorlogs (WO II) werk van hen te zien was.

 

De vierde tentoonstelling in de reeks toonde wat dat betreft een breuk. De nog levende uitverkoren Italiaanse beeldhouwer Giuseppe Penone (1947) werd, in tegenstelling tot zijn voorgangers in de reeks, in de twintigste eeuw geboren, zelfs na WO II. En vrijwel al het getoonde werk dateert uit de huidige eeuw.

 

De vijfde en laatste tentoonstelling in de reeks is in 2017 gewijd aan de Franse kunstenaar Jean Dubuffet (1901-1985) met naoorlogs werk. De  L’Hourloupe-stijl waarin de twaalf getoonde beelden gemaakt zijn, paste Dubuffet toe in de jaren 1962-1974.

 

 

 

 

 

 

Stoffelijke wereld

 

Jean Philippe Arthur Dubuffet (1901-1985) was een Frans schilder die op het eind van zijn leven ook sculpturen maakte. Hij werd geboren in Le Havre als zoon van een wijnhandelaar en trok in 1918 naar Parijs. Daar studeerde hij korte tijd aan de Académie Julian en richtte al in 1919 zijn eigen atelier op. Maar in 1925 nam hij de zaak van zijn vader over en werd een succesvol zakenman, hij schilderde jarenlang alleen nog in zijn vrije tijd. Pas in 1942 koos hij definitief voor de kunst.

 

Dubuffet had een provocerende opvatting over kunst. Waarom tooien mensen zich met met huiden en niet met ingewanden, wel met schelpensnoeren en niet met spinnenwebben vroeg hij zich af. In kunstgeschiedenis was hij niet geïnteresseerd, hij wees het af. Wat hem intrigeerde waren de creatieve producten van geesteszieken, kinderen. gevangenen en gehandicapten, van uitingen die spontaan uit het onderbewustzijn voortkomen. Daaruit ontstond zijn ‘art brut’ (hij verloochende zijn wijnhandel niet), rauwe kunst, de tegenpool van ‘art culturel’, gecultiveerde kunst. Kunst moest de geest aanspreken en niet de ogen, vond Dubuffet.

 

Dubuffet: “Ik wil een soortgelijke positie innemen als die gestoorde mensen hebben. Daarmee bedoel ik: de cultuur en het normale negeren om iets niet-normaals te maken. Ik denk dat een kunstenaar dat hoort te doen. Iets niet-nomaals maken, iets uitzonderlijks.”

 

De kunstenaar was een materieschilder, zijn ‘verf’ bestond ondermeer uit kippenstront, zand, glas, grint, teer, cement, as, vlindervleugels, bladeren en schors. Structuur bracht hij aan met spatel, mes of rietpen. Zijn werk sproot voort uit ‘een mystieke verheerlijking van de stoffelijke wereld’, zei hij zelf.

 

Dubuffet was ervan overtuigd dat erkenning van een kunstenaar zijn creativiteit zou verstikken, hij bewoog zich daarom niet in het officiële kunstcircuit. Tegen de erkenning van zijn werk heeft hij zich echter nooit verzet, in 1983 en 1984 vertegenwoordigde hij zijn land op de biennale van Venetië.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

      zelfportret, 1967

L’Hourloupe

 

De Hourloupe-stijl (de term is van Dubuffet) waarin de kunstenaar van 1962-1974 werkte, kwam voort uit een droodle die hij al telefonerend tekende. Hij raakte geïnspireerd door de vloeiende lijnen die vlakken afbakenen en beweging suggereren. Hij geloofde dat de stijl een weergave was van hoe beelden in de geest ontstaan; een fysieke representatie van een geestelijk proces. Met de serie Hourloupe-werken probeerde hij een alternatieve realiteit, een parallelle wereld, te creëren, verklaarde de kunstenaar in 1972.

 

Bij de sculpturen in Hourloupe-stijl gebruikte Dubuffet naast wit en zwart, uitsluitend de kleuren blauw en rood.

 

Zinsbegoocheling

 

In 1964 had de schilder Dubuffet een tentoonstelling in Parijs met achttien werken uit de Hourloupe-reeks. Hij schreef daarbij onder de titel ‘De kermis van de zinsbegoocheling’:

 

“Schilderen lijkt mij van elk belang gespeend wanneer het daarbij niet juist zou gaan om het oproepen van voorstellingen die de schilder verlangt te zien en waarmee hij op geen enkele andere manier in aanraking kan komen dan door hieraan zelf vorm te geven. De schilder heeft dus alle reden om niet, zoals een slecht geïnformeerd publiek hem toedicht, te schilderen wat hij ziet, maar integendeel datgene wat hij niet ziet, maar zou willen kunnen zien.”

 

 

Dubuffet maakte in 1966 de overstap van doeken in Hourloupe-stijl naar drie-dimensionale versies omdat hij zijn werk meer omvang, meer body, wilde geven, hij noemde ze later monumentale schilderijen. In 1967 begon hij te werken aan zijn architectonische projecten, maquettes die hij ‘édifices’ noemde. De maquette voor ‘Jardin d’email’, later uitvergroot voor de beeldentuin van het Kröller-Müller musem, ontstond in 1968. Ook andere édifices zijn later monumentaal uitgevoerd.

 

 

 

 

 

 

 

     

 

                                                                                                   fragment uit de NRC van 15 mei 1985

 

 


 

Jean Dubuffet in de tuinen van het Rijksmuseum, Amsterdam

 

zomer 2017

 

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina Jean Dubuffet