Henri Laurens

 

De grote Curve

 

Museum Beelden aan Zee, 2014

 

 

 

 

                                 Sirène ailée (Gevleugelde sirene), 1948

                                                                                                        

 

“De grote curve”

 

In 1947 werd de jonge beeldhouwer Piet Esser aangesteld als de opvolger van de roemruchte professor Jan Bronner aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Om zich te oriënteren maakte hij een studiereis naar Parijs en bezocht verschillende ateliers. Als één van de eerste bracht hij een bezoek aan de werkplaats van Henri Laurens, en stapte daar, vertelde hij, een nieuwe vormenwereld binnen. “Overal om mij heen de grote ‘curve’ die zo helemaal vreemd was bij Bronner en ik voelde mij een echte stugge noordeling die ineens in contact komt met een zoveel luchtiger en speelser zuiden” en “Alles zweefde en streefde naar boven”.

 

 

 

 

                                Portret van Henri Laurens door Amedeo Modigliani, 1915

 

 

 

 

                                                                                                                              1912

 

Kubisme

 

De grote curve kwam pas later tot ontwikkeling in het werk van Laurens. Rond 1900 werkte hij als steenhouwer in een werkplaats waar ornamenten gemaakt werden en in de avonduren volgde hij lessen om van steenhouwer beeldhouwer te kunnen worden. Rodin was in die tijd zijn grote voorbeeld. In 1910-11 ontmoette hij Georges Braque en medekunstenaars als Picasso, Léger en Archipenko en kwam daarmee in aanraking met het kubisme. Hij begreep er weinig van zei hij, maar was er zo door gegrepen dat hij al zijn vroegere werk vernietigde. Rond 1915 maakte Laurens composities met voorwerpen als flessen, kranten en muziekinstrumenten zoals de andere kubisten gedaan hadden.

 

De Eerste Wereldoorlog woedde in Europa en toen het stof opgetrokken was, was het kubisme niet vernieuwend meer. Picasso, Braque en Léger keerden het de rug toe, maar Laurens maakte vanaf 1918 kubistische beelden in gips, terracotta en steen. Met Joseph Csáky en Jacques Lipchitz vormde Henri Laurens in die tijd de kern van de (nog) in kubistische stijl werkende beeldhouwers.

 

Vanaf 1921 beginnen zijn vormen langzaam te veranderen: geleidelijk komen er meer vloeiende lijnen in zijn werk, de scherpe ribben, hoeken en strenge lijnen verdwijnen op den duur en de vrouwenfiguren worden talrijker. Laurens’ werk evolueerde in de jaren twintig van hoekig naar cilindervormig en hij ontwikkelde in de jaren die volgden een eigen handschrift.

 

 

 

 

 

Rijping

 

In de loop der jaren werden zijn vormen steeds ronder en voller en zijn vrouwen werden uitgerust met stevige puntige borsten en sensuele rondingen. Geïnspireerd door de zee kregen zijn figuren ook golvende lijnen, ze kwamen in beweging, ‘de grote curve’ kreeg steeds meer de overhand. Een uitspraak van Laurens: “Ik leg mij toe op de rijping van vormen. Ik streef ernaar ze zo vol, zo sappig te maken, dat er niets meer bij kan.” In de jaren vijftig krijgen de borsten weer kleinere proporties waardoor de nadruk op de massieve dijen komt te liggen.

 

 

 

                                          

 

                                                ca 1952

 

 

 

 

Erkenning

 

Henri Laurens heeft in eigen land gedurende zijn leven nauwelijks erkenning gekregen voor zijn werk. Zijn eerste grote overzichtstentoonstelling kreeg hij in 1949 niet in Frankrijk maar in Brussel, België. Die miskenning vond Henri Matisse onterecht. Toen hij in 1950 de prijs voor schilderkunst van de Biënnale van Venetië toegekend kreeg, deelde hij de prijs met Laurens. Het werd gevierd met een groot feest in Parijs.

 

Sandberg, directeur van het Stedelijk Amsterdam, heeft dat meegemaakt en hij schreef: “Niemand minder dan [kunsthandelaar] Kahnweiler ging met de flessen rond. Calder was gangmaker (ik zie hem nog rondhuppelen als een grote beer), eerst met de kleine Miro, toen met de veel langere Braque, daarna moest ik eraan geloven.”

 

Drie jaar later ontving Laurens de grote prijs voor de beeldhouwkunst op de Biennale van São Paulo.

 

Henri Laurens was een tevreden mens: “Als men me zou vragen om mijn hele leven van voren af aan opnieuw te beginnen met al zijn ongelukken [hij had problemen met zijn gezondheid en op 24-jarige leeftijd werd hem een been afgezet vanwege bottuberculose], maar ook met al het goede dat het me gegeven heeft, dan zou ik direct zeggen: ja.”

 

 

 

 

Zaaloverzicht van de expositie ‘De grote Curve’ in Museum Beelden aan Zee, zomer 2014

 

 

 

Met Joseph Csáky en Jacques Lipchitz vormde Henri Laurens na de Eerste Wereldoorlog de kern van de (nog) in kubistische stijl werkende beeldhouwers. Csáky maakte dezelfde ontwikkeling door als Laurens:

 van hoekig naar rond, zelfs het opgetrokken been en de geheven armen zijn in zijn werk te vinden:

 

 

                        

 

Van links naar rechts resp. ‘Kind’ (1920), ‘Zittende vrouw’ (1929) en ‘Ontwaken’ (1937) door József Csáky

 

 

 

Tenzij anders vermeld (de beelden Liggende vrouw, Vrouw met spiegel, Oceanide, Sirenen en de Aartsengel) komen de getoonde beelden van Henri Laurens op deze webpgina’s uit de collectie van het Centre Pompidou, Parijs.

 

 

 


 

Tentoonstelling ‘De grote Curve’ in Museum Beelden aan Zee, zomer 2014

 

Foto’s: juli 2014

 

 

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina Henri Laurens