Ossip Zadkine

 

Museum Beelden aan Zee

 

oktober 2018 - maart 2019

 

 

 

 

               Demeter, 1918                                                          Meisje, 1967

 

 

   ‘Volgens door hemzelf verstrekte gegevens’

 

 

 

      uit Wendingen, 1929

 

     uit Beeldende Kunst, januari 1939

 

 

 

 

                                                                           Heilige familie, 1912-13 (oorspronkelijke versie: hout)

 

Jonge jaren

 

De beeldhouwer Ossip Zadkine werd naar eigen zeggen geboren op 14 juli 1890 in de Russische plaats Smolensk. Kennis over de eerste twintig jaar van zijn leven kwam uitsluitend uit verhalen die hij graag vertelde. Pierre Janssen schreef in Het Vrije Volk van 17 juni 1954 een uitgebreid artikel over Zadkine aan de vooravond van een grote tentoonstelling; hij bracht daartoe een aantal bezoeken aan Zadkine in Parijs en kreeg zo zijn verhalen uit de eerste hand te horen. Uit het artikel enkele fragmenten over de jonge jaren van de beeldhouwer:

 

Geur van hout

 

- Zijn jeugd rook naar de pijnbomen van Smolensk, waar zijn oom Wolgaschepen bouwde. Op de werf van zijn oom werden de bomen gezaagd tot planken; de zagers waren wit van het stof en roken als vreemde bloemen, “Mijn oom had de geur van het hout aan zijn huid” zegt Zadkine, en hij voegt er ogenblikkelijk aan toe: “IJzer heeft geen geur. En als je een gat in ijzer boort, dan doe je iets doods, maar als je een gat in hout boort, maak je iets levends”.

 

Zijn vader was een leraar klassieke talen en toonde zich niet verheugd toen de jeugdige Ossip in de salon met gips en klei begon te knoeien. Hij zond hem daarom via Riga en Rotterdam naar een Schotse kostschool, ten einde hem aldaar Engels en goede manieren te laten leren. [NB: andere verhalen reppen van een Schotse (oud)oom John Lester in Sunderland, Noord Engeland].

 

 

 

 

                               Mannenkop, 1919 (brons)

 

Geheimen van het hout

 

- In Schotland [Noord Engeland] kreeg hij toestemming om beeldhouwlessen te gaan volgen bij een meneer die daartoe op de zolder van een raadhuis een gezelschap oude dames placht te verzamelen [elders wordt het aangeduid met een plaatselijke kunstschool / boetseerschool]. Daar moest Ossip een copie maken van Houdons klassieke borstbeeld van Voltaire, Zadkine slaagde er niet in om Voltaires fijne glimlachje anders dan als een afschuwelijke grijns te boetseren en nam daarom de benen naar Londen waar hij elf maanden lang zonder een cent  steun van zijn vader de kost probeerde te verdienen, o.a. bij een fabriekje dat in houtsnijwerk deed.

 

 

Ze fabriceerden letters voor winkelruiten, versieringen voor trappen en preekstoelen. Daar leerde Zadkine de zorg voor het gereedschap, het respect voor het vakmanschap en de geheimen van het hout.

 

Nog is hij trots op de roos die hij daar uit een stuk appelhout sneed en hij moet dadelijk een paar slokken wijn nemen om de ontroering over die roos, waarvan je door de blaadjes het licht kon zien, de baas te blijven.

 

Rechts: uit het Vrije Volk, 2 december 1949

 

 

 

Leerling beeldhouwer

 

- Ten slotte ging de zelfbewuste maar hongerige verloren zoon met pijp en met ‘Het leven der grote mannen’, een boek [een deel van Plutarchus], naar Smolensk terug. Zijn vader streek in arren moede de hand over het hart en zo arriveerde in 1909 te Parijs de leerling-beeldhouwer Ossip Zadkine, die lessen volgde van de Ecole des Beaux Arts [NB: dat laatste duurde volgens andere verhalen maar een paar maanden; eerder volgde hij korte tijd lessen aan de Polytechnische school in Londen].

 

 

 

 

                                                                                                                                                                Het hert, 1923-24 (hout)

 

 

  De verteller: woorden tellen niet

 

 

   Nieuwsblad van het Noorden, 28-11-1967

 

  

 

                             Het Vrije Volk, 27-11-1967

 

 

Trouw, 27 oktober 1994

 

 

 

Alternatieve feiten

 

Zadkine is inderdaad creatief met de werkelijkheid omgegaan. Onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat hij op 28 januari 1888 is geboren. Hij ging in Vitebsk naar school en in de administratie zijn z’n gegevens teruggevonden. Bij zijn neutralisatie tot Fransman gaf hij de Franse nationale feestdag 14 juli op als geboortedatum met het jaar 1890. Toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten verbleef, veranderde hij dag en maand in de nationale feestdag van de VS: 4 juli. Verder ging hij ook losjes om met de datering van zijn werk. (*)

 

Zadkine heeft verteld dat hij naar een kostschool in Engeland werd gestuurd, althans, dat staat in enkele Nederlandse artikelen. Mogelijk is er sprake van taalverwarring en is er kosthuis en scholing bedoeld. Zadkine zou bij verre familie van zijn Engelse moeder, bij het gezin van John Lester hebben verbleven dat alleen Engels sprak waardoor hij zich erg eenzaam voelde. Maar onderzoek (*) heeft aangetoond dat het oom Joseph John Zadkine moet zijn geweest, een geboren Rus. De oom was meubelmaker en leerde hem vakvaardigheden.

 

Zadkine heeft verzwegen dat hij in Rusland van school afzwaaide op de vakken timmeren en houtbewerking en op een andere school tekenlessen volgde. Toen hij in Londen bij het houtbewerkingsbedrijf ging werken, bezat hij dus al wel basiskennis en -vaardigheden, ook al vanwege de leertijd bij zijn oom. In zijn nieuwe bestaan presenteerde hij zich echter als een verjongde versie van zichzelf en westers opgeleid.

 

In 1933 zei Zadkine tegen een verslaggever van de Telegraaf: “Ik zelf zou in Rusland weinig kunnen doen: ik mis het geloof, ben in mijn opvattingen te Westersch, ik heb te veel mijn eigen kunstcanons om trek naar Rusland te hebben.”

 

(*)  bron: ‘Zadkine aan Zee’, begeleidend boek/catalogus bij de tentoonstelling, Uitgave van Waanders, Zwolle

 

 

 

 

                                                              Vrouwentors, 1933 (graniet)

 

 Artistieke religie

 

In de Eerste Wereldoorlog sloot Zadkine zich aan bij het Vreemdelingenlegioen, werkte er als hospitaalsoldaat maar werd slachtoffer van een gifgas-aanval. Hij werd afgekeurd, keerde terug naar Parijs en richtte zich weer op de kunst. “Zo moet het toch, beste vriend, werken en geen concessies doen, geen compromis. Dat is, geloof ik, mijn artistieke religie”, schreef hij in een brief. In 1921 werd de Rus genaturaliseerd tot Frans staatsburger, bij die gelegenheid voegde hij een e toe aan zijn achternaam: Zadkin werd het meer Frans klinkende Zadkine.

 

 

 

                       

 

Rechts: Het tijdschrift Wendingen uit 1929. Het nummer was gewijd aan Zadkine, de omslag is van Hildo Krop. Hij laat de beeldhouwer, met hamer en beitel in zijn handen, de Eiffeltoren, het symbool van Parijs, op zijn grondvesten schudden.

                                                                                                                                                

 

 

Jong

 

Zadkine had een Joodse achtergrond en dat noodzaakte hem in 1940 te vluchten naar de Verenigde Staten. Hij voelde er zich weer jong worden, maar veranderde er toch alleen zijn geboortedag, niet meer zijn geboortejaar..

 

        

 

            Volkskrant, 11 maart 1995

 

Eeuwige jeugd

 

Voor de gevel van een winkel in Haarlem maakte Zadkine in 1956 het beeld van een gitaar spelende, zingende harlekijn. Volgens de maker stelde het beeld de eeuwige jeugd voor. In 1960, op 70-jarige leeftijd, pardon 72, krijgt hij een zoon bij zijn maîtresse, een jonge Deense.

 

Oud

 

Ed Wingen herinnerde zich dat Zadkine het vreselijk vond om oud te worden, zo schreef hij in de Telegraaf van 23 december 1972: “Ondanks de talrijke felicitaties op zijn 75ste verjaardag is hij niet gelukkig. Hij bekijkt zich in de spiegel en voelt zich, terwijl hij z’n borstelige wenkbrauwen, z’n rimpels bestudeert, als een stroper bespied door de geestesverschijning van zijn skelet en de koorden van aderen op zijn armen. “Inderdaad, ik ben oud. Zonder enige twijfel ben ik 75 jaar [hij was in werkelijkheid al 77]. En ik ben teneergeslagen”.”

 

 

 

 

                                                       Zittende vrouw door Ossip Zadkine, 1937 (brons)

 

 

Greep uit tentoonstellingen

 

In 1911 exposeerde Zadkine in Frankrijk zijn eerste beeldhouwwerk op een groepstentoonstelling: een mannenkop. In Nederland exposeerde hij voor het eerst in 1914 en opnieuw in 1923, de kritieken waren divers. De Rotterdamsche Courant noemde Zadkine een machtig beeldhouwer, de Maasbode vond dat hij de noodtoestand van de Europeesche beschaving demonstreerde: “Zijn plastische vormenduiding is krank, om niet van krankzinnig te spreken.”

 

Na een overzichtstentoonstelling in Londen in 1930, kreeg Zadkine in Brussel al in 1933 een retrospectief. Er waren 139 beeldhouwwerken te zien, Zadkine: “Wat gij hier bijeen ziet, vertegenwoordigt 20 jaar van mijn leven. [..] O ja, en met deze expositie, waarin slechts een 20-tal beelden ontbreken, die zich overzee bevinden, zou ik al erg ondankbaar moeten zijn om niet zeer tevreden te zijn.”

 

 

 

                                                                                                  Uit Het R.K. Bouwblad, 29 november 1934

 

 

 

In de oorlog week Zadkine uit naar de Verenigde Staten, in 1945 kwam hij terug. De Vrije Kunstenaar in november 1945: “In de oorlogsjaren heeft hij circa 40 beelden voltooid en in de V.S. enige tentoonstellingen gehouden.”

 

Nederland

 

Kort na de oorlog had Zadkine in Nederland een drietal grote solo-exposities. Het Stedelijk museum in Amsterdam had in 1948 een overzicht met 56 beeldhouwwerken, het jaar daarop was in het Boymans te Rotterdam een tentoonstelling met een zeventigtal beelden te zien en in 1954 stonden in het Arnhems Gemeentemuseum negentig plastieken.

 

De commentaren waren bij de eerste twee exposities zeer positief, zo schreef het Nieuwsblad van het Noorden op 14 april 1948: “Zadkine is een geweldenaar onder de beeldhouwers, een kunstenaar die steeds zoekt naar nieuwe uitdrukkingsvormen en er daarbij naar streeft om hierin te komen tot de grootst mogelijke expressiviteit.” In 1954 werden er kanttekeningen geplaatst. De Tijd op 23 december 1954: “Voor mij zijn er zeer bedenkelijke dingen in zijn werken die na de tweede wereldoorlog zijn ontstaan. Het is de vraag of het wekken van sterke emoties, waartoe hij alle middelen inspant, dan niet ontaardt in het zoeken van grove sensaties.”

 

Het Arnhems Gemeentemuseum deed het in 1962 dunnetjes over en toonde zestig beeldhouwwerken van voornamelijk de laatste acht jaar. `Een teleurstellend weerzien` kopte het Algemeen Handelsblad. Volgens de krant waren de zwakheden zozeer toegenomen dat ook bij de vurigste bewonderaar een lichte teleurstelling onvermijdelijk is. `Het is of hij teruggrijpt op vroegere verworvenheden en zowel de gesloten torso´s als de warrige vormuitbarstingen keren thans terug`, constateerde De Tijd. De Volkskrant vond dat Zadkine in ons land overschat werd.

 

Ossip Zadkine overleed in 1967, toen niet 77 maar 79 jaar oud. Ruim een halve eeuw na zijn dood is er nu opnieuw een groot overzicht in Nederland, het Museum Beelden aan Zee toont vijf maanden lang ongeveer honderd beelden. Gastconservator is Feico Hoekstra.

 

 

 

                                                                 Tuinbeeld, 1943-44

 

 

 

                                                              Pijproker door Ossip Zadkine, 1943 (Fumeur de pipe)

 

Een mens

 

Zadkine gaf na de oorlog ook les en wekelijks kwam hij de studies van zijn leerlingen bekijken om te becommentariëren en te corrigeren. De bekende journalist, museumdirecteur en tv-presentator Pierre Janssen tekende in het Vrije Volk van 17 juni 1954 daarover een anekdote op:

 

Zadkine had in een kleimodel van de [Amerikaanse] leerling een correctie aangebracht. Zoetjes was de leerling daarna met die correctie verder gaan werken. Een week later ging Zadkine ervoor staan en wees met zijn vinger op zijn eigen correctie: “Wat is dat in hemelsnaam?” De Amerikaan zei beleefd: Dat hebt u gedaan. Waarop Zadkine met stormende verontwaardiging riep: “Ben ik soms God? Mag ik soms geen fouten maken? Wilde u mij verbieden fouten te maken?”

 

 

 

   Zadkine geeft les aan de Académie de la Grande Chaumičre in Parijs, ca 1953

                                                                   Foto: Jan Arntzenius

 

 

     

 

NB: zijn eerste naam was Yossel                                                                                Trouw, 27 november 1967

 

 

 

 

                                              Zwarte danseres door Ossip Zadkine, 1949

 

 

In memoriam

 

De Volkskrant (uit de pen van Lambert Tegenbosch) schreef in memoriam: Ossip Zadkine is – merkwaardig genoeg speciaal in Nederland – een ander woord voor de nieuwe beeldhouwkunst. Na de oorlog, toen hij terug was uit zijn Newyorkse ballingsoord, en les ging geven aan de Académie de la Grande Chaumičre in Parijs, zijn bijna alle Nederlandse beeldhouwers voor kortere of langere tijd bij hem in de leer geweest. Zoals Jacques Lipchitz en Archipenko heeft hij de ontdekkingen van de kubistische schilderkunst vertaald voor driedimensionaal gebruik, maar dat betekende bij Zadkins gemoedswarmte een lyrisch kubisme dat zou uitgroeien tot bijna het tegendeel van kubisme: een kubistisch expressionisme dat tenslotte zijn bewonderaars heeft verbijsterd.

 

Op het einde van Zadkins leven was men geneigd Lipchitz en Moore hoger te klasseren dan Zadkine. Iets wild woekerends scheen zijn beelden de vormkracht te ontnemen en het sentiment begon zich theatraal te demonstreren. Zijn Van Gogh-beelden hebben regressief twijfel gewekt aan wat lange tijd voor het hoogtepunt uit zijn hele oeuvre is gehouden: het Rotterdamse oorlogsmonument uit 1953. [..]  Nu hij dood is herinneren wij ons dankbaar de grote momenten die wij hem verschuldigd zijn.

 

 

 

                                                                                     Ontkieming, 1948

 

 

 

                                                                               Sylvia, 1951 (Sylve)

 

Oeuvre

 

In 1995 is een inventarisatie gereedgekomen van al het sculpturale werk van Zadkine, de catalogus beschrijft 593 werken. Van zijn eerste werk, mannen die aan touwen een boot voortrekken, bestond alleen nog een vage foto. Zadkine liet het aan de Engelse beeldhouwer Jacob Epstein zien en die vond het niets. Daarop gooide Zadkine het in de Thames. Het laatste onvoltooide werk is op last van de weduwe vernietigd.

 

 

 

 

                                       Beeld voor de architectuur door Ossip Zadkine, 1965

 

 


 

Tentoonstelling ‘Ossip Zadkine aan Zee’, Museum Beelden aan Zee; okt. 2018-maart 2019

 

Foto’s: oktober 2018

 

 

 

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina Ossip Zadkine