Zero: Let us explore the stars

 

Tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam, najaar 2015

 

                                                 een kleine selectie

 

 

 

 

 

                                                              Weisse Mühle door Günther Uecker, 1964

 

 

Een nieuw begin

 

De ZERO-beweging begon in Duitsland toen de kunstenaars Heinz Mack en Otto Piene in 1957 de naam Zero plakten op een nieuwe kunstbeweging en een tijdschrift. Piene: “Wij beschouwden Zero vanaf het begin als naam voor een zone van stilte en nieuwe mogelijkheden. [..] We dachten aan de countdown voor de lancering van een raket”. De kunstenaars wilden na de oorlogsjaren een radicaal nieuwe kunst, een nieuw begin, en dat gevoel heerste internationaal. In korte tijd kwamen verwante groepen op, in Nederland was dat de Nul-groep.

 

 

 

 

                                                                                        Aggregation door Yayoi Kusama, 1963

 

 

Objectivering van de werkelijkheid

 

De Nederlandse Nul-groep (1960-1965) werd opgericht door Armando, Henk Peeters, Jan Henderikse en Jan Schoonhoven.

 

Jan Schoonhoven karakteriseerde de Nul- en Zerokunst met: “Zero is in de eerste plaats een nieuwe opvatting van de realiteit, waarin de individuele rol van de artist is beperkt tot een minimum. De Zero-kunstenaar kiest slechts, isoleert delen realiteit (materialen zowel als van de realiteit afgeleide ideeën) en toont deze aan op meest neutrale manier. De dingen aanvaarden zoals ze zijn en ze niet veranderen om persoonlijke redenen, het vermijden van persoonlijke gevoelens is fundamenteel voor Zero.”

 

Armando verklaarde: “We beginnen weer helemaal opnieuw.” Nul als beginpunt. Ze wilden de werkelijkheid signaleren en onderdelen van die realiteit presenteren aan het publiek.

 

Er werd gebruik gemaakt van objectieve, niet door kunsthistorische traditie beladen materialen, alles was bruikbaar. Armando maakte bijvoorbeeld objecten van zwarte olievaten, banden, prikkeldraad en ijzeren platen met bouten en moeren; Henderikse stelde reliëfs samen van kurken, nummerborden, centen en kratten bier; Peeters gebruikte watten, veertjes, rook, vuur, roet en water en Schoonhoven werkte met papier-maché en bordkarton.

 

Een commentator spottend: “Nul geeft een nieuwe, meer verwonderde, zachtere blik op teertonnen en conservenblikjes, spijkers, prikkeldraad en gladde gelakte oppervlakten.”

 

 

 

 

                                                                                        Akwarel door Henk Peeters, 1966

 

 

Monochromie en monotomie

 

De Nulgroep was een reactie op de lyrische bevlogenheid (‘kleurig gekakel’) van het abstract-expressionisme uit de jaren vijftig. Henk Peeters: “Zo koel als een kikker wilden we zijn. Tegen de romantiek. Tegen de esthetica. En vóór een nieuwe zakelijkheid in de meest absolute termen.” De kunstenaars staken zich in pak met stropdas en droegen een aktetas.

 

Het antwoord van de kunstenaars op het abstract-expressionisme was monochromie en monotomie, elke emotionaliteit zoveel mogelijk vermijdend. Schoonhoven: “Tijd en ruimte zijn vrijwel synoniem. Opeenvolging van één motief, één ding, één object, één deel van geïsoleerde realiteit door herhaling, houdt, behalve ritme en tijd, tegelijkertijd vanwege de herhaling, een suggestie van afwezigheid van tijd, van tijdloosheid in.”

 

 

 

 

                                            Z.t. door George Rickey (VS, 1907-2002), 1965; uitgevoerd door Henk Peeters

 

                                          De Zero-beweging had affiniteit met onder andere de kinetische kunst

 

 

Innovatie maakproces

 

Met geheel nieuwe maakprocessen nam de Zero-beweging afstand van de traditionele kunst. Zo sneed de Italiaan Lucio Fontana in zijn doeken, ging de Fransman Yves Klein het canvas met een vlammenwerper te lijf, experimenteerde de Nederlander Henk Peeters en de Duitser Hans Haacke met water, de Duitser Heinz Mack met licht en de Japanner Akira Kanayama met lucht en timmerde de Duitser Günther Uecker objecten vol met spijkers, de Italiaan Piero Manzoni blikte uitwerpselen in. Het kunstenaarschap werd daarmee toegankelijker gemaakt: met eenvoudig gereedschap als een priem, mes, hamer of doosje lucifers kon kunst gemaakt worden.

 

Een van de doelen van Nul was tot kunst te komen die in grote oplage gemaakt kon worden. Jan Henderikse: “Anonieme kunst die in principe iedereen kan maken.”

 

 

 

 

                                                                                                                        Boru door Akira Kanayama, 1957

                                                                        op de achtergrond: L’accord bleu door Yves Klein, 1960

 

 

 

Tentoonstellingen in het Stedelijk, 1962 en 1965

 

Voorjaar 1962 gaf het Stedelijk museum in Amsterdam een podium aan de ruim een jaar oude groep. Niet op uitnodiging maar omdat er even geen andere tentoonstelling ingepland stond. Henk Peeters kreeg toestemming om met de Nul-groep te exposeren maar moest zelf voor de financiën zorgen. De kritieken op het getoonde waren niet mals:

 

De Tijd (24-3-1962) schreef onder de kop Denksport voor lege lieden’: “Henk Peeters (een der zegsmannen) heeft het streven wel eens gemotiveerd met een on-kunst, een kunst die iedereen kan maken en zo weer in het leven wordt geïnfiltreerd. Maar iedere amateur die iets wil gaan maken beweegt zich nooit in de richting van groep 0. Tenzij hij enorm pedant is en met alle termen die snobisme kunnen overtreffen in schijnheiligheid het leven te lijf wil gaan. [..] Het is de denksport voor lege lieden, opgedreven semi-spiritualiteit van leeghoofden.”

 

Twee citaten uit een kritiek in de Waarheid (8-3-1962):

 

       

 

 

De Leeuwarder Courant (9-3-1962) schreef mild spottend: “.. weer een heerlijk-gekke tentoonstelling. De expositie heet ‘Nul’ om de stilte en de leegte aan te duiden die de groep wil uitbeelden. Alles mag: de kunstwerken zijn op interessante wijze in elkaar geknutseld uit allerlei materialen zoals houtjes met kurken, boekjes sigarettenvloei, luciferdoosjes, autobanden en bierflesjes. Men kan er zich over opwinden en men kan vol waardering kijken naar de wrochtsels van de exposanten die van zichzelf zeggen dat zij positieve optimisten zijn.”

 

Na de expositie deponeerde het museum een groot werk van Piero Manzoni bij het afval.

 

 

 

 

                                                                       Blokken en palen door Herman de Vries (Ned, 1931), 1960-62

                                                       op de achtergrond: kurkreliëf en nummerplaten door Jan Henderikse, 1962

 

 

Wereldomvattend

 

In 1965 mocht de groep opnieuw exposeren in het Stedelijk museum, nu met meer verwante kunstenaars uit het buitenland dan op de vorige presentatie. Ook Japanse kunstenaars van de groep Gutai waren uitgenodigd. Deze tentoonstelling werd nu goed ontvangen bij de critici.

 

Het Vrije Volk (30 april 1965): “Vergelijkt men de nieuwe Nul-expositie met die van twee jaar geleden, dan vallen twee dingen op: de strenge soberheid die ditmaal is betracht en de veel grotere reikwijdte. De samenstellers hebben ditmaal veel meer de indruk kunnen geven van het wereldomvattende van hun beweging. Japan, Italië, de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk en Nederland zijn vertegenwoordigd.” en “De rondgang over de expositie is een tocht vol verrassingen.”

 

Over de exposities zei Peeters later: “De eerste tentoonstelling in 1962 had geleid tot enorm verzet bij het publiek, maar bij de tweede tentoonstelling vond iedereen het prachtig. Nul hoefde nergens meer doorheen te breken.” Die laatste expositie bleek het slotakkoord van de Nul-beweging, daarna viel het clubje uiteen.

 

 

 

 

                        detail van een onderdeel van Lichtraum, hommage aan Fontana door Günther Uecker, 1964

 

 

In 1976 zei Armando in het tv-programma ‘Heilig vuur’ over de Nul-periode: “Geen leuke tijd, als je er op terugkijkt” en Peeters vertelde dat de beweging niet had losgemaakt wat ze hadden gehoopt. (Leeuwarder Courant, 28 januari 1976). Peeters noemde later de overwegend negatieve reacties van de pers “één brok afgrijzen.”

 

Peeters in een catalogus uit 1993: “We maakten multiples van goedkope materialen, ieder zou het moeten kunnen kopen.” Maar verkocht werd er niet of nauwelijks in de jaren zestig, pas veel later kwam erkenning.

 

 

 


 

Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat / Museumplein  Amsterdam

 

Foto’s: september 2015

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

 

Startpagina Zero