Spoorleeuwen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         Leeuwen, door Frans Kuijpers?, 1875-76

 

 

 

Westertoegang met station Westerdok, ca 1880 (Foto-detail: A.Jager, uitgever; Beeldbank Amsterdam)

 

 

 

Spoorviaducten

 

Het Rijk had in het midden van de 19e eeuw plannen gemaakt om in Amsterdam een groot spoorwegstation te bouwen tegenover het Damrak.

 

Toen de plannen bekend werden, stak een storm van protest op, de stad zou afgesneden worden van de haven, en daarmee van de handel waar de stad op dreef.

 

Het Centraal Station kwam er toch, het werd in 1889 voltooid, maar kreeg lange viaducten aan weerszijden om de waterlopen tussen de Amstel en het IJ te overbruggen.

 

                                                                                                            leeuw met het rijkswapen

 

Diaspora

 

Komen:  December 1874 werd de bouw van de landhoofden en pijlers voor de doorgangen vlakbij het (nog te bouwen) CS aanbesteed. De gebrs. Schoonenburg wonnen de aanbesteding met de laagste inschrijving, de aannemers hadden eerder dat jaar ook al de opdracht voor het maken van de fundering binnengehaald. Op de landhoofden werden zandstenen schildhoudende leeuwen geplaatst, in totaal zestien, aan iedere kant van het station acht. De vroegste foto’s waarop deze leeuwen te zien zijn, dateren van maart en april 1877 maar op de nieuwjaarswens van de Nachtwacht op 1 januari 1877 staan ze in een prent van de Westertoegang al getekend. Op het verderop gelegen viaduct bij de Korte Prinsengracht kroonden sinds 1872 zes iets kleinere en fijnere leeuwen de landhoofden. Een deel van de leeuwen keek landinwaarts, de anderen keken over het IJ. De schilden droegen het rijkswapen of het wapen van Amsterdam.

 

Gaan: Vanwege ernstige verzakking vonden van 1904 tot 1909 verbouwingen plaats aan de westkant van het station en de acht leeuwen daar werden verwijderd en raakten in een diaspora. De zes kleinere leeuwen op het Korte Prinsengracht-viaduct verdwenen bij uitbreidingen in 1922. Vier van de acht leeuwen aan de oostkant van het station werden ook begin jaren twintig verwijderd, de andere vier hebben nog tot de jaren zestig op hun plek gestaan maar ondergingen toen hetzelfde lot. Deze laatste vier, ze stonden aan de zuidkant van het viaduct, zijn in het Beatrixpark terecht gekomen.

 

 

 

 

                                                                  Foto: Landhoofd van het westelijk viaduct ,1897; Geheugen van Nederland

 

 

Zorgwekkende toestand

 

Kort na de bouw, al in december 1876, vertoonden zich de eerste scheuren in het westelijk viaduct; de fundering voldeed niet op de slappe ondergrond. Het Nieuws van den dag: “Naar men verzekert, zullen die scheuringen geen gevaar opleveren. Intusschen heeft men ze voor ’t publiek onzichtbaar gemaakt door er eenige planken, in den vorm van een kastje, voor te plaatsen.” Maar het was slechts lapwerk en het geheel begon te verzakken. De Arnhemsche courant in maart 1883: “Met alle kracht en door aanwending van alle denkbare hulpmiddelen tracht men de scheuren te dichten, doch het staat te vreezen dat al de moeite tevergeefs zal zijn. Een groote menigte verdringt zich voortdurend in den omtrek om de werkzaamheden gade te slaan en – de nodige critiek te oefenen natuurlijk. De toestand is echter inderdaad zorgwekkend.”

 

 

 

                                                          De Groene Amsterdammer, 24 januari 1897; tekening door Johan Braakensiek

 

 

Grappen en grollen

 

De verzakkende leeuwen gaven aanleiding tot gein in de media. Zo schreef een briefschrijver (correspondent) over de scheve leeuw naast café Zincken dat het is “alsof hij al de oude klare van Zincken had ingeslikt”.

 

Volgens de Tijd  in 1904 vragen de leeuwen “droef-peinzend: hoe lang nog?” De Groene Amsterdammer liet de leeuwen al in 1897 angstig van de uit het lood hangende pijlers klimmen: “bergen wij het veege lijf!”

 

Luctor et submergo

 

Onder het kopje ‘Onze malle leeuwen’ schreef het Algemeen Handelsblad op 21 december 1897 over de toestand bij het Westerviaduct. Een citaat:

 

 

 

Mezschokke

 

Volgens De ware Jacob in 1905 deden buurtcomité’s hun best de leeuwen te behouden. Zij zouden professor Mezschokke hebben gevraagd “de dieren in getraliede caissons te sluiten en ze aan den Haagschen Dierentuin, ter completeering van de zeldzame verzameling verscheurende dieren aldaar, aan te bieden.”

 

(grappende verwijzing naar ‘den Zwitserschen geleerde Zschokke’ wiens methode van funderen met caissons als redding ingezet zou worden)

 

En een lolletje van 010 in het

Rotterdamsch Nieuwsblad, 20 nov.1906:

 

  

 

 

 

 

                 Landhoofd van het westelijk viaduct, mei 1906 (Foto: Archief politie; Beeldbank Amsterdam)

 

 

Eeuw-oud broodje aap

 

De Bel, een krant uit de gemeente Laren, publiceerde op de valreep van 1929 nog een anekdote over de hellende leeuwen (naschrift: blijkt overgenomen te zijn uit de Eembode van 8 februari 1929 die het nogmaals publiceerde op 17 januari 1930):

 

‘Niet lang na de opening der lijn begon de brug of ’t viaduct bij het station te Amsterdam bedenkelijk te hellen. Een der dagelijksche reizigers in de zomermaanden was Jhr. Mr. J.P. Van Herzeele (Raadsheer in Amsterdam), die het oude, monumentale Schoutenhuis op den Brink te Baarn bewoonde. Toen hij eens langs het IJ wandelde en de bedenkelijke overhelling der leeuwen van ’t viaduct zag, durfde hij er met den trein niet meer over. En zoo reisde hij jaren lang gemoedelijk van Baarn via Hilversum-Utrecht-Nieuwersluis naar Amsterdam of omgekeerd, een omweg, waarbij mijl op zeven nog niets is.’

 

Dan vervolgt de krant het verhaal met ‘Mr. Van Herzeele is al jaren lang overleden (in 1889), maar … de Amsterdamsche leeuwen staan nog altijd even scheef en de brug …. is nog altijd niet ingestort. Een mensch kan zich toch ook vóór den tijd wel eens bang maken, dunkt u ook niet?’

 

Let wel, de scheve leeuwen waren in het eerste decennium van de twintigste eeuw, dus twintig jaar voor dit schrijven, al weggehaald. Ook de reisroute wekt verbazing: de westelijke leeuwen stonden scheef, niet de oostelijke, dus een omweg hoefde Van Herzeele van en naar Baarn niet te maken om de verzakkende constructie te vermijden.

 

 

 

 

                       Dubbele pagina uit De Stad Amsterdam, 1931 (Foto: Henk Valks, collectie Spaarnestad).

                             De twee leeuwen staan nu in het Beatrixpark (op de achtergrond de St. Nicolaaskerk).

 

 

Wakers en wachters

 

De laatste overgebleven leeuwen, de vier beelden van de zuidkant van het oostelijk viaduct, zijn naar aanleiding van de Floriade van 1972 in het Beatrixpark geplaatst. Er staat een stel bij de Artsenijhof en een paar bij de ingang naar de RAI-omgeving. Voor de Artsenijhof staat het paar met de schilden naar de ingang gekeerd. In deze positie zijn het wachters. Op het viaduct stonden de leeuwen met de schilden van elkaar afgekeerd, ze fungeerden als wakers. De leeuwen staan voor waakzaamheid en moed.

 

 

 

 

                                                                                     leeuw met het wapen van Amsterdam

 

 

Leeuwenjacht

 

Het Genootschap ‘Leeuwen van het Centraal Station’ probeert alle leeuwen te traceren, anno 2016 zijn de zestien leeuwen die het Centraal Station flankeerden, gevonden; zie:

 

www.leeuwencs.nl

 

Van de zes oudere en iets kleinere leeuwen die bij de doorgang van de Korte Prinsengracht naar het Westerdok stonden (met andere details en minder grof), zijn kleiner uitgevoerde exemplaren aan de hand van vermoedelijk hetzelfde model, of het toonmodel zelf, gevonden; zie  leeuwen bij kasteel Stapelen

 

 

 

         

 

                                                                                     leeuw met het rijkswapen

 

 

 

 

                      Oosterdokskade, op de achtergrond de driemaster en marine-opleidingsschip Pollux,

                                                           rechts het Scheepvaarthuis; jaren zestig (Foto: W.J. van Borselen)

 

 

 

            

Twee versies

 

De eerste beelden die in 1872 op de spoorviaducten geplaatst werden, zijn de zes leeuwen van de Korte Prinsengracht. De beeldhouwer is bekend: Henri Geelen uit Roermond, de kunstenaar hakte zelf de beelden. De zestien grotere en grovere leeuwen die het CS flankeerden, zijn van ca 1875-76 en wijken op onderdelen af van de Korte Prinsengracht-leeuwen, maar de karakteristieke houding van het lijf is hetzelfde. Het lijkt of een andere beeldhouwer gevarieerd heeft op de eerste versie.

 

Cuijpers en Kuijpers

 

Er was in die tijd in Den Bosch een bekend modelleur en beeldhouwer actief: Frans Kuijpers (1828-1910). Hij had begin jaren zeventig van de 19e eeuw een aantal jaar de leiding over de steenhouwers die aan de grote restauratie van de Sint- Janskathedraal werkten. Hij modelleerde de fantasievolle figuren voor de luchtbogen naar schetsen die bouwmeester L.C. Hezenmans aanleverde, en maakte modellen voor heiligenbeelden. Zijn gipsen modellen werden door de steenhouwers omgezet in stenen beelden.

 

Bouwmeester Hezenmans en de architect van het CS-gebouw in Amsterdam, Pierre Cuypers, waren goede bekenden; vanaf 1874 inspecteerde Cuypers de restauratie van de St. Jan jaarlijks als lid van het college van rijksadviseurs voor monumenten. Cuijpers moet Kuijpers gekend hebben.

 

Wat gebeurd zou kunnen zijn: In de praktijk bleek dat de eeste zes leeuwen te veel wegvielen in de achtergrond. Hoogte en afstand vragen grote gebaren om goed over te komen, fijnheid en detail werken dan niet. Beeldhouwer Frans Kuijpers van de St. Jan had ruime ervaring met dit aspect. Kuijpers werd daarom schetsen gegeven van de bestaande leeuwen en gevraagd een versie te maken die erop leek maar die op het viaduct sterker zou overkomen. Hij modelleerde in gips een leeuw die daaraan voldeed en het model ging naar Amsterdam. Daar werden de zestien leeuwen die het CS moesten flankeren, in een groter formaat dan de eerste zes leeuwen, naar dat ‘grovere’ model uitgehakt.

 

 

 

      

      

             luchtboogbeeld  ca 1872-74                                                              spoorleeuw  1875-76

 

Frans Kuijpers is gezien de stijl van zijn luchtboogbeelden, een aannemelijke kandidaat-modelleur van de tweede versie CS-leeuwen. De leeuwen werden naar het model uitgehakt in een atelier in/nabij Amsterdam.

 

 

De kunstzinnigheid van Kuijpers werd geregeld geprezen, in een krantenbericht bijvoorbeeld: “De heer Kuijpers behoeft op dit gebied zijn sporen niet meer te verdienen, doch de artistieke uitvoering strekt hem op nieuw zeer tot aanbeveling”. Bij zijn dood noemde de Tijd hem ‘beeldhouwer-kunstenaar’.

 

Rechts: Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant, 9 april 1874

 

 

 

 

                                                                            luchtboogbeelden op de St.Jan, Den Bosch, ca 1872-74

           

 

 

 

 

       

 

                                                         De twee zuidelijke landhoofden van het oostelijk viaduct met de vier leeuwen, 1894.

                                                           (Foto: Jacob Olie; Beeldbank Amsterdam). De leeuwen staan nu in het Beatrixpark.

                                                                   

 

 


 

Ansichtkaarten

 

                              

 

                                            oostzijde van het CS, midden de Schreierstoren, rechts de St. Nicolaaskerk, ca 1915

 

 

                                    

 

                                            westzijde van het CS, ca 1908

 

 

 


 

Beatrixpark, Amsterdam Zuid

 

Foto’s:  april 2010

 

 

Startpagina Buitenbeeldinbeeld

 

Buitenbeelden in Amsterdam ZuiderAmstel